Roadbookrit: Provincie Luik

De Roadbook Rally 2015 ging van start met een ontspannen toertje op West- Vlaamse bodem. Op onze K1600GT langeduurtester reed redacteur Bart van Nieuwpoort tot Oudenburg en onderweg passeerde hij het oldti- mermuseum te Reninge. De Belgische motorfiets- industrie was er vertegenwoordigd met de drie bekende merken uit het Luikse: Gillet, Saroléa en FN. Ongeveer een eeuw na de glorieperiode van deze merken spreken ze nog steeds tot de verbeelding en dat volstond voor ons om de tweede Roadbook Rally te rijden in de buurt van Herstal en Luik. Ooit de bakermat voor alles wat iets met Belgische motorfietsen te maken had.

 

TEKST: Arno Jaspers


FOTOS: Jochen Scheire & Arno Jaspers

Ondanks een pril lentezonnetje is het nog fris wanneer we ’s ochtends via de snelweg arriveren in Herstal. Om toch een beetje in de historische sfeer te blijven kozen we voor deze rit een Ducati Scrambler uit. Leuke retrolooks, een karaktervol motorblokje en een aangename zithouding, wat meer heb je nog nodig om gezellig doorheen de Belgische motorge- schiedenis te rijden? Toegegeven, de link naar de originele Ducati eencilinders uit de sixties en seventies heeft weinig te maken met wat we vandaag voor u op het menu hebben, al zijn we er van overtuigd dat een liefhebber van klassieke motorfietsen zo’n neo-retro machine kan appreciëren. Dat ‘klassieke’ mag je trouwens erg letterlijk nemen, want klassieker dan de motoren die ooit in Herstal geproduceerd zijn, wordt het niet. Gillet, Saroléa en FN mogen dan al jaren van de markt verdwenen zijn, toch doen ze een belletje rinkelen bij zowat iedere Belgische motard. Niet in het minst omdat Saroléa sinds 2013 na enkele decen- nia afwezigheid opnieuw veel aandacht trekt in de motorwereld. Carbon-tovenaar Torsten Robbens ontwikkelde een elektrische racemotor onder de legendarische merknaam en gooide er hoge ogen mee op het eiland Man. Indrukwekkend, al zijn we toch nog iets meer onder de indruk van het ‘oude’ Saroléa dat al in 1898 met een driewieler met petroleummotor uitkwam en niet veel later als één van de allereersten ooit een motorfiets op de markt bracht.

 

GROEZELIGE INDUSTRIE, GROOTS VERLEDEN

Mocht u de tijd hebben, dan bevelen we dus absoluut een bezoekje aan het Saroléa Motorium aan waar je alles leert over de geschiedenis van dit pioniersmerk. Het bevindt zich in de Rue Saint-Lambert 84, oftewel blokje om bij het startpunt van de route van vandaag. Als vertrekpunt kozen we namelijk voor de fabrieksgebouwen van één van die andere ‘Dames de la Basse-Meuse’, FN Herstal. Eind 1901 rolde hier aan de Voie de Liège de eerste motor van de band van het merk dat we nu nog steeds kennen als fabrikant van vuurwapens. Een vriendelijk verzoek voor een fabrieksbezoek stuitte ietwat voorspelbaar op een ‘njet’ en we wachten nog steeds op een antwoord van FN op de vraag of er in de gebouwen nog iets te zien is van de hoogdagen van de Belgische motorindustrie. Niet getreurd want na een verplicht fotootje voor de mooie toegangspoort laten we laten de ietwat groezelige industriewijk achter ons en rijden we over de moderne Pont de Wandre naar (twee keer raden)... Wandre. De treurige kleine arbeiderswoningen maken al snel plaats voor groen en een eerste mooie klim richting Barchon. Het is van korte duur, maar wel al een mooi voorproefje van de kilometers die we straks zullen afmalen. Voorlopig blijven we ten zuiden van de E42 rijden en via Soumagne en Olne komen we aan in Nessonvaux. Kronkelweggetjes worden afgewisseld met langgerekte stukken om rustig te cruisen en ware het niet dat we nog enkele activiteiten op de planning hadden staan, dan zouden we ongetwijfeld nog een klein stukje naar het zuiden bollen. Daar bevindt zich het kleine dorpje Tancremont dat wijd en zijd bekend staat voor zijn lekkere taarten.

We keren echter oostwaarts om via basketbalgemeente Pepinster aan te komen in Theux, nog zo’n naam die bekend in de oren klinkt van motorliefhebbers. Hier vertrekt tenslotte jaarlijks de ‘Boucles de Theux’, misschien wel één van de meest uidagende motorevenementen in ons landje. De deelnemers moeten er tegen de klok een parcours afwerken met niets meer dan de bolletje-pijl aanwijzigingen die ze de ochtend voor de race krijgen. Een concept dat de ervaren RBR- rijders niet onbekend is, al merken we dat het leeuwendeel van onze deelnemers toch de GPS verkiest. Ook wij volgen de aanwijzi- gingen van onze TomTom Rider en die bren- gen ons via Spixhe naar het ooit mondaine Spa. Dit sympathieke stadje staat bekend om zijn casino en verschillende welzijnsoorden, maar een echte motard kan ongetwijfeld raden waarheen de route ons verder zal brengen. Zodra we het kleine centrum achter ons laten, passeren we aan de linkerzijde nog de Aérodrome Spa-La Sauveniére waar enkele kleine sportvliegtuigjes op het tarmac staan. De lange, kaarsrechte Rue la Sauveniere biedt een mooi overzicht van de omgeving en zo komen we via een afdaling bij de bekende draaier in Malchamps waarna we het centrum van Francorchamps binnenrijden. Wat betreft de geschiedenis van de motorsport, zowel op twee als op vier wielen, rijden we hier op heilige grond.

 

ROUTE DU CIRCUIT

Hoewel de RBR-route u aan het ronde punt voor het circuit meteen naar links stuurt richting de route du circuit, kan ik het niet laten om even de parking op te rijden waar ik door de stalen afrastering een blik krijg op de Raidillon, Eau Rouge en helemaal aan het einde van het rechte stuk La Source. Klinkende namen die de nekharen van iedere racefanaat rechtop doen staan en die voor ondergetekende aan de bron liggen van een passie voor alles op wielen. Sta me een kleine anekdote toe, want mijn eerste herinnering met hoog octaangehalte speelt zich af op de inmiddels verwijderde camping vlakbij La Source en de hoofdtribune. Daar kwam ik als klein snotjoch samen met m’n vader kamperen tijdens de 24 uren van Spa-Francorchamps. Met het gebrul van de razende raceauto’s op de achtergrond ging ik ‘s avonds slapen en in de ontieglijk vroege ochtend op 1 augustus 1993 werd ik wakker. Niet omwille van het motorlawaai, maar net omdat er een verontrustende stilte heerste over de bossen van Francorchamps. De organisatie had besloten om de race stil te leggen naar aanleiding van de dood van koning Boudewijn. Een drama voor iedere vijfjarige petrolhead dat ik zoveel jaren later nog steeds niet vergeten ben. Maar goed, tot zover mijn eigen petite histoire, nu rijden we terug richting Route du circuit.

 

14 LEVENSGEVAARLIJKE KILOMETERS

De tussentitel verklapt meteen dat we hier rijden op een deel van het oude, veertien kilometer lange circuit dat gebruik maakte van de openbare weg tussen Francorchamps en Malmedy tot Burnenville. Vervolgens draaide het circuit via Stavelot en Masta terug via de Route de l’Eau Rouge naar Francorchamps. En terwijl het circuit tegen- woordig vooral bekend staat voor de Formule 1 en talloze autoraces, waren het in 1921 toch motoren die er voor het eerst een wed- strijdje reden. Pas in 1922 zouden er auto’s rijden en in 1924 – amper één jaar na de eerste 24-uursrace op Le Mans – vond de eerste 24-urenwedstrijd voor auto’s er plaats. Vanaf 1950 zou de Grand Prix Formule 1 jaarlijks plaatsvinden op het lange, oude circuit tot in 1968 het rijdersprotest tegen de ultrasnelle en levensgevaarlijke omloop te groot werd. Pas in 1983 won Alain Prost de eerste GP F1 op het nieuwe zeven kilometer lange circuit en sinds de overwinning van Ayrton Senna in 1985 is er opnieuw jaarlijks een Grand Prix op wat velen het mooiste circuit ter wereld noemen. Spijtig genoeg voor de motorsport blijft de MotoGP al sinds 1990 weg uit Francorchamps. Voorheen kwamen grote kampioenen als Giacomo Agostini, Freddie Spencer, Eddie Lawson en Wayne Gardner nog jaarlijks afgezakt naar het circuit, vandaag de dag moeten we het stellen met de minder competitieve (maar niet minder leuke!) Bikers’ Classics. Dit evenement wordt ieder jaar groter en slaagt er in om jaar na jaar populaire namen uit het verleden van de motorracerij naar België te lokken om er een toertje te rijden op de racemachines uit hun toptijd. Graag vermelden we wel nog Julien Vanzeebroeck en - iets recenter en bekender - Didier de Radiguès, de enige Belgen waren die erin slaagden om hun thuis-Grand Prix te winnen. Vanzeebroeck deed dat in 1975 in de toen nog razend populaire 50 cc-klasse, de Radiguès in 1983 in de GP250.

 

PRONKSTUKKEN

Na een fotostop onder de grote toegang tot het circuit langs de kant van Stavelot, rijden we verder het dorp in richting het Musée du circuit de Spa-Francorchamps. Ga niet op zoek naar een groot modern gebouw want de bonte collectie auto’s en motoren is ondergebracht in de kelders van de abdij van Stavelot waarin ook nog andere tentoonstellingen gehouden worden. Na een kleine kris-kras afdaling langs de abdij en de archeologische site ernaast, zetten we onze Scrambler op de parking en brengen we een bezoekje. Een toegansticketje kost 9,5 euro met audiogids (groepen en studenten betalen iets minder) en dat vinden we aanvankelijk redelijk veel. Die mening verandert zodra we binnenstappen want de collectie is uitgebreid en vooral erg exclusief. Bij de motoren zien we opnieuw veel Belgische klassiekers, gaande van de eerste Saroléa die ooit een Grand Prix Motorcross won tot een FN met zijspan die heel Afrika doorkruiste op zoek naar geschikte locaties voor luchtha- vens. We gaan hier nog niet alles verklappen, mede omdat de collectie constant wisselt. Het gaat hier tenslotte over privé collecties van liefhebbers die hun juweeltjes uitlenen aan het museum. De meeste twee- en vierwielers rijden op regelmatige basis nog mee op een oldtimermeeting of een concours d’élégance en dus moet je een beetje opletten wanneer je het museum bezoekt. Het pronkstuk bij uitstek is een auto, meerbepaald een Porsche 917 die de 24 uur van Le Mans won in 1970. De langgerekte auto die je meteen herkent aan de oranje-lichtblauwe Gulf kleurstelling beschikt over een twaalf-cilinder boxermotor en was op het vijf kilometer lange rechtstuk van het Circuit de la Sarthe goed voor een topsnelheid van 362 km/u. Enkele dagen na ons bezoekje zou deze auto met een geschatte waarde van om en bij de tien miljoen Euro naar Goodwood verscheept worden voor het Festival of Speed.

 

ZONNESCHIJN EN WATERVALLEN

 

Onder de indruk van al deze historische motorpracht stappen we opnieuw op onze Duc om de route te vervolgen. Inmiddels is het prille lentezonnetje getransformeerd in een heerlijke zomerzon en bergen we de voering van onze jas op in de rugzak. We verlaten de omgeving van het prachtige circuit en zet- ten na een korte drankstop op de markt van Stavelot koers richting de watervallen van Coo. Er is wel wat verkeer op de weg, maar de weg kronkelt lekker dus trekken we ons er wei- nig van aan. Van Coo gaat het via La Gleize en Stoumont richting Remouchamps en Aywaille, een bekend motorbaantje dat we vorig jaar nog afwerkten tijdens de M&T lezersreis. Zelfs op een gewone doordeweekse dag barst het hier van de motorrijders. Ook al lonken de motorcafés en terrasjes uitnodigend, we rij- den plichtsbewust door in noordwestelijke richting naar het eindpunt van onze route. Van Aywaille tot in Esneux is het asfalt van uitstekende kwaliteit dus geven we de kleine Scrambler de sporen. De TomTom verklapt dat ons nog slechts enkele kilometers resten tot aan het eindpunt en dan is het verleidelijk om het tempo op te drijven. Tenminste totdat de bossen opnieuw plaats maken voor enkele prachtige vergezichten die we op hun beurt inruilen voor een klein stukje stadsverkeer en een laatste klim naar de top van het plateau van de Sarte in Huy. Vlakbij de oude kabelbaan die bezoekers van de Maasoever naar het fort van Huy en de top van het plateau bracht, houden we het voor bekeken. Onze ogen hebben vandaag goed de kost gekregen en het wordt moeilijk om dit te overtreffen. Of toch niet?

 

Dit reisverhaal verscheen voor het eerst in Motoren & Toerisme van juni 2015.

 

De GPS-bestanden voor deze Roadbookrit vind je in de Roadbook-sectie van de site

 

Facebook comments