Reisverhaal Kirgistan

Binnen het uur zijn Wim en ik Kazachstan buiten en Kirgistan binnen. De voormalige Sovjetrepubliek, waar je in het Westen zelden van hoort en waar bijna geen kat met vakantie gaat, wordt ook wel het Zwitserland van Centraal-Azië genoemd. Meer dan de helft van het land ligt boven de drieduizend meter met uitschieters van meer dan zevenduizend meter. Dertig procent van de bevolking woont meer dan 1.500 meter boven de zeespiegel. Bij zo’n reisbestemming met twee namen (je mag Kirgistan en Kirgizië vlotjes door mekaar gebruiken) mag je dus hoge verwachtingen hebben…

 

Tekst en foto’s: Roland Speecke

 

We zijn op weg naar Tamchy, een dorpje aan de noordkant van het beroemde Issyk Kul meer, het grootste meer van Kirgistan en na het Titicacameer het hoogst bevaarbare meer ter wereld. Issyk Kul betekent ‘warm meer’ want de grote diepte van het meer zorgt er in combinatie met de vulkanische activiteit en het lage zoutgehalte voor dat het nooit bevriest. Best opmerkelijk voor een meer dat op 1.600 meter hoogte ligt en wordt omgeven door met sneeuw bedekte bergtoppen tot 7.400 meter hoogte. De Kirgiezen hebben evenwel een veel mooiere verklaring. Het meer is gevormd door de hete tranen die een mooie herdersdochter vergoot toen de twee kemphanen die naar haar hand dongen na een dagenlang duel dood neerstortten.

Na één nacht in Tamchy houden we het voor bekeken. Veel hebben we niet moeten slapen in onze joert aan het meer, want Issyk Kul is de Costa del Sol van Kirgistan aan het worden. Jaarlijks komen duizenden badgasten uit Kazachstan en Rusland  er om te zwemmen, te zonnebaden en vooral het varken uit te hangen. En tot overmaat van ramp is de gesel van de blèrende stranddisco ook al tot hier doorgedrongen.

Hoedje op

We rijden opnieuw langs de boord van het Issyk Kul meer, maar nu in omgekeerde richting, slalommen over de Kyz-Art pas (2.664 meter) en zetten via Caek en Otmök koers naar de Ala-Bel pas die ons naar 3.184 meter hoogte moet brengen. In de buurt van Kyzyl Oy of ‘Rode Rots’ houden we halt en vergapen ons aan de ruige, van ijzererts doortrokken, donkerrode en oranje rotspartijen die hoog boven ons oprijzen. We vallen van de ene verbazing in de andere want luttele ogenblikken later rollen we door het bijzonder mooie landschap van de Suusamyr vallei. Groene, glooiende heuvels en uitgestrekte alpenweiden met op de achtergrond machtige, besneeuwde pieken domineren hier het decor. In die weiden laten de Kirgiezen in de zomer hun vee grazen, net als de Mongolen zijn ze locals overwegend nomaden. Ze lijken ook in veel opzichten op de Mongolen : ze hebben hetzelfde uiterlijk (klein van stuk, O-benen, een licht getinte huid en vaak brede jukbeenderen), doen alles te paard en delen het grootste stuk van hun levenswijze. Toch kun je een Kirgies er zo uitpikken met zijn typische hoed: de kalpak is een traditioneel, kegelvormig hoofddeksel dat van vilt is gemaakt en versierd werd met een karakteristiek borduursel. Ook komen de Kirgiezen een stuk vriendelijker en opgewekter over dan de Mongolen. Overal tref je goedlachse mensen aan – opvallend veel gouden tanden lachen ons toe - en word je met gemeende hartelijkheid begroet door jong en oud. Opvallend zijn de groepjes grafmonumenten langs de kant van de weg. Zijn de Kirgiezen bij leven nomaden, na hun dood verblijven zij in een huis dat uitkijkt uit op de weg, zodat ze voor één keer het leven aan zich voorbij zien trekken in plaats van zelf voortdurend onderweg te zijn.

 

Zand erover

Otmök blijkt uiteindelijk niet meer dan een verzameling joerts langs de kant van de weg en bij elke joert wordt de onvermijdelijke koemis (gegiste paardenmelk en niet gegiste paardenpis zoals Borat beweert) verkocht.  Hoe belangrijk koemis is voor de Kirgiezen blijkt al uit de naam die ze voor hun hoofdstad kozen: Bishkek, wat de benaming is voor een vat om koemis in te maken. Benzine daarentegen is veel moeilijker te vinden. Ik moet op een bepaald moment kiezen tussen dertig kilometer terugkeren naar de laatste pomp die we gepasseerd zijn of doorrijden naar Toktogul, negentig kilometer verderop. Omdat ik al een paar kilometer op reserve rij, besluit ik rechtsomkeert te maken, zeer tegen de zin van Wim die ervan overtuigd is dat ik makkelijk Toktogul kan halen en er als een speer vandoor gaat. Ondertussen is de avond gevallen en moet ik de Ala-Bel pas in het duister over. Het is verdomd koud op meer dan drieduizend meter hoogte nu de zon niet meer van de partij is en bijzonder jammer dat ik niets van het natuurschoon kan meepikken, maar ik troost me met de gedachte dat we nog heel wat bergen voorgeschoteld krijgen op onze trip door Kirgistan. Vijftig kilometer voor Toktogul tref ik Wim langs de kant van de weg. We wisselen een paar kort afgemeten woorden en rijden samen verder op zoek naar een geschikt hotel dat we uiteindelijk vinden in Toktogul zelf.  Aan tafel, bij het genot van een glas bier, verwijt ik Wim dat hij een kolerieke zot is. Hij blaft geagiteerd dat ik altijd mijn zin moet krijgen en dat hij vanaf nu nondedju zijn eigen weg gaat. Na deze korte, maar ongemeen krachtige ontlading trakteer ik nog een pint. Zand erover. Even goede vrienden.

Drugsmokkel en radeloze vrouwen

Vandaag staat er een prachtige route op het programma: Toktogul – Karakol – Tash Kumur – Osh. Het is een onderdeel van de Osh-Bishkek route, één van de twee spectaculaire routes in Kirgistan, die de twee grootste steden van het land verbindt. Vanuit landschappelijk oogpunt is die route een aaneenschakeling van superlatieven. Vooral de eerste honderdtachtig kilometer tot Tash Kumur voeren ons door een adembenemend landschap. De weg slingert langs de boord van het enorme Toktogul reservoir, dat jaarlijks de energie voor meer dan de helft van Kirgistan levert. Aan het einde van het diepblauwe stuwmeer ligt Karaköl (niet te verwarren met Karakol aan de oever van het Issyk Kul meer) dat vooral bekend is om zijn 215 meter hoge en 150 meter brede stuwdam op de rivier Naryn. Na een schitterende rit langs de steile boorden van de rivier, die diep beneden ons kronkelt en vaak zo breed is dat je het idee hebt langs een meer te rijden, komen we in Tash Kumir, een koolmijnstadje. Vanaf hier dalen we af naar Osh, één van de oudste steden van Centraal-Azië, aan de rand van de Fergana vallei. Osh vierde in 1994 zijn drieduizendste verjaardag en  was ooit een belangrijk knooppunt langs de zijderoute. Nu is het een aangename, groene stad met veel bloemen, bomen en parken, die wordt gedomineerd door de Suleiman Gora, een opvallende heuvel aan de rand van het centrum. Deze ‘Troon van Salomon’ is al eeuwen één van de belangrijkste pelgrimsoorden in Centraal-Azië. Omdat hij bovendien de vorm van een liggende vrouw in verwachting heeft, werd de heuvel ook een pelgrimsoord voor vrouwen die maar niet zwanger willen worden.  Maar Osh is eveneens het verzamelpunt van grote hoeveelheden opium en heroïne, die vanuit Afghanistan en Tajikistan naar Kirgizië worden gesmokkeld. En wat me nog meer interesseert: Osh is het vertrekpunt van de Pamir Highway, één van de mooiste en hoogst gelegen ‘autowegen’ ter wereld. De weg die de Russen ooit aangelegden loopt onder andere langs de grens met Afghanistan en eindigt in Khorog, Tajikistan.

 

AA-club: alcohol & alpinisten

In Osh krijgen we ’s avonds aan tafel het gezelschap van twee sympathieke Siberische alpinisten die naar eigen zeggen enkele dagen eerder de Leninpiek (7.134 meter hoogte) hebben bedwongen. Ik zie hierin een mogelijke verklaring voor hun rood aangelopen neuzen, maar evengoed kan hun drankzucht er voor iets tussen zitten, zo zal ik iets later vaststellen. Zoals het goede Siberiërs betaamt, slepen ze voor de maaltijd ettelijke flessen bier, vodka, cognac en muskaatwijn aan. Twee rijpe meloenen moeten voor wat gezond tegenwicht zorgen. Wij schuiven bij voor een heuse slemppartij, maar ik hou het zoveel mogelijk bij de meloenen en prijs me daar de volgende morgen uitermate gelukkig om. Na een uitgebreid ontbijt dat onze vrienden-alpinisten kwistig doorspoelen met cognac, maken Wim en ik ons op voor de rit naar de grens met Tajikistan. Dat vertrek wordt echter even uitgesteld wanneer Wim tot de vaststelling komt dat de uitlaatbocht van zijn KTM gescheurd is. Een onrechtstreeks  gevolg van zijn spectaculaire salto in Mongolië enkele weken eerder. Hij demonteert de uitlaat en een taxi brengt ons naar een ‘garage’ waar de kachelpijp vakkundig gelast wordt volgens de aanwijzingen van een streng toekijkende Wim.

Terug naar af

Kort na de middag staan we dan eindelijk klaar voor de rit naar Sary Tash, het laatste stadje voor de Tajiekse grens. De klauteraars met de rooie neuzen onderbreken even de aanval die ze zonet hebben ingezet op een volle fles vodka en komen ons een stevige knuffel geven. Het mag eentonig klinken, maar het wordt andermaal een prachtige rit gekruid met passen van 2.400 en 3.600 meter die afwisselend over asfalt en piste slingeren. Ontelbaar veel vrachtwagens met Chinese nummerplaat sjezen torenhoog geladen met oud ijzer over de pistes en zorgen voor een stofgordijn waar je onmogelijk doorheen kunt kijken. De aanwezigheid van die Chinese nummerplaten is niet zo verwonderlijk aangezien we min of meer parallel rijden met de Chinese grens en er in Sary Tash een verbindingsweg vertrekt naar het Chinese grensstadje Irkeshtam. Sary Tash stelt weinig voor, maar de lucht is er heerlijk fris en we hebben een prachtig uitzicht op de besneeuwde bergtoppen van het Pamirgebergte. Omdat we geen flauw idee hebben tot hoe laat de grens open blijft, besluiten we om hier de nacht door te brengen in een homestay.  Die laatste 45 kilometer naar de grens pakken we morgen wel aan. Terwijl dochterlief in de buurt van ons nachtverblijf koeienvlaaien bij elkaar sprokkelt, zet de vrouw des huizes zich aan het werk om voor ons een maaltijd klaar te stomen. Ze maakt er haar werk van, want pas uren later komt ze blozend aandraven met een dampende schotel. Nog enkele uren later komt de diarree er aan. Het heeft wel gesmaakt.

 

We gooien de tank vol met verdachte benzine uit een groezelige plastieken emmer en mennen de KTM’s met strakke hand over een snelle piste naar de grens met Tajikistan. Of dat denken we toch. Als we na tachtig kilometer nog steeds in Kirgistan rondstuiven, krijg ik een lichtbruin vermoeden dat er iets niet klopt. De chauffeur van een zeldzame auto die ons pad kruist, bevestigt mijn vermoeden. Ondertussen is Wim, die voorop reed, al lang uit het zicht verdwenen. Ik moet hem zo snel mogelijk zien bij te benen om hem op onze vergissing te wijzen, maar helaas is samen met Wim ook de lucht uit mijn voorband verdwenen.  Er zit niets anders op dan geduldig te wachten en hopen dat Wim snel in de smiezen krijgt dat ik niet meer volg. Dat valt redelijk mee, want hij was ondertussen zelf ook tot het inzicht gekomen dat zijn route ons niet naar Tajikistan zal leiden. In een handomdraai repareert Wim mijn lekke band (één van de vele vaardigheden die ik hem ten zeerste benijd) en we rijden terug naar af. In Sary Tash zien ze ons graag komen, want we gooien voor de tweede keer deze morgen onze tank vol met hun dure benzine uit plastieken emmers en nu we hier toch zijn haal ik gelijk mijn camelbak op, die ik bij ons overhaaste vertrek deze morgen in de homestay had laten liggen. Een halve dag later dan gepland hijsen we ons eindelijk over de machtige Kyzyl-Art pas (4.280 meter), het echte begin van de Pamir. Vlak voorbij de top ligt de grens met Tajikistan.

 

 

 

 

 

Facebook comments